Evolutie van diagnostische criteria voor het prikkelbare darmsyndroom

Kathleen Van Malderen

Kathleen Van Malderen

Wat zijn diagnostische criteria?

Omdat er nog geen diagnostische test bestaat voor het prikkelbare darmsyndroom (PDS) wordt er gebruik gemaakt van diagnostische criteria. Dit zijn enkele voorwaarden waaraan patiënten moeten voldoen om de diagnose van het prikkelbare darmsyndroom te krijgen.

De voorbije decennia zijn deze diagnostische criteria voor PDS al een paar keer veranderd omdat we steeds meer te weten komen over de ziekte. In dit artikel gaan we wat dieper in op de evolutie van diagnostische criteria voor PDS gedurende de laatste jaren.

Manning criteria

De Manning criteria zijn ontwikkeld in 1978 en zijn gebaseerd op een verzameling van symptomen die vaker voorkomen bij patiënten met PDS dan bij andere ziektes. Zoals je kan zien wordt er in deze criteria enkel navraag gedaan naar losse stoelgang en vaak naar de wc moeten gaan. Dit is dan ook de grootste beperking van deze criteria, enkel patiënten met diarree krijgen hiermee de diagnose van PDS.

Buikpijn in combinatie met minstens drie van de volgende:

  • Lossere stoelgang
  • Vaker naar de wc moeten voor stoelgang
  • Opluchting van de pijn na het maken van stoelgang
  • Opgezette buik
  • Gevoel van onvolledige lediging na het maken van stoelgang
  • Slijmverlies bij de stoelgang

Kruis criteria

In 1984 werden de Kruis criteria voorgesteld. Bij de Kruis criteria wordt er met behulp van verschillende vragen een score berekend. Wanneer iemand een hoge score heeft dan kan de diagnose van PDS gesteld worden. Bij deze criteria worden naast typische PDS symptomen ook alarmsymptomen bevraagd. Deze criteria zijn niet lang gebruikt omdat ze heel omslachtig zijn en dus niet praktisch toe te passen.

 

Kenmerken die zorgen voor een hogere score

  • Pijn, winderigheid of stoelgangsproblemen
  • Symptomen zijn al meer dan 2 jaar bezig
  • Hoeveelheid pijn (meer pijn is gelijk aan een hogere score)
  • Diarree en constipatie afgewisseld

 

Kenmerken die zorgen voor een lagere score

  • Afwijkend lichamelijk onderzoek of alarmsymptomen tijdens het gesprek (gewichtsverlies, start symptomen op oudere leeftijd, onverklaarde koorts, …)
  • Afwijkende bloedwaarden zoals toegenomen witte bloedcellen of bloedarmoede
  • Bloed in de stoelgang

Rome I criteria

In 1992 werden voor de eerste keer de Rome criteria gepubliceerd, deze criteria zijn een voorloper van de Rome IV criteria die we momenteel gebruiken.

 

Gedurende drie maanden vaak optreden van buikpijn of een ongemakkelijk gevoel in de buik in combinatie met:

  • Eén of meer van de volgende
    • Verbetering van de pijn na het maken van stoelgang
    • Veranderingen in de frequentie van stoelgang (vaker of net minder vaak)
    • Veranderingen in de consistentie van de stoelgang
  • Twee of meer van de volgende gedurende 25% van de tijd
    • Verandering in de frequentie van de stoelgang (>3x/dag of <3x/week)
    • Verandering in de consistentie van de stoelgang (keutels, hard, los, waterig)
    • Verandering in de uitdrijving van de stoelgang (persen, urgency, gevoel van onvolledige lediging)
    • Slijmen bij de stoelgang
    • Opgeblazen gevoel of opgezette buik

Rome II criteria

Met behulp van feedback van artsen uit de praktijk, wetenschappelijke onderzoekers en nieuwe kennis werden in 1999 de Rome II criteria gepubliceerd. In tegenstelling tot de Rome I criteria moeten symptomen hier niet quasi continu aanwezig zijn gedurende drie maanden. Klachten moeten in totaal nog steeds voorkomen gedurende drie maanden, maar deze mogen verspreid zijn over een jaar. Het verband tussen buikpijn en problemen met de stoelgang komt ook meer op de voorgrond. De ondersteunende factoren moeten hier echter niet meer verplicht voorkomen om te kunnen spreken van PDS.

Gedurende minstens 12 weken in het voorbije jaar buikpijn of een ongemakkelijk gevoel in de buik in combinatie met:

  • Twee of meer van de volgende
    • Verbetering van de pijn na het maken van stoelgang
    • Veranderingen in de frequentie van stoelgang (vaker of net minder vaak)
    • Veranderingen in de consistentie van de stoelgang
  • Ondersteunende symptomen (niet noodzakelijk)
    • Verandering in de frequentie van de stoelgang (>3x/dag of <3x/week)
    • Verandering in de consistentie van de stoelgang (keutels, hard, los, waterig)
    • Verandering in de uitdrijving van de stoelgang (persen, urgency, gevoel van onvolledige lediging)
    • Slijmen bij de stoelgang
    • Opgeblazen gevoel of opgezette buik

Rome III criteria

In 2006 werden de Rome III criteria uitgebracht. Deze criteria zijn iets minder strikt wanneer we kijken naar de tijdsduur van symptomen. In tegenstelling tot de Rome II criteria moet een patiënt maar een half jaar klachten hebben in plaats van een jaar. Dit zorgt ervoor dat de diagnose van PDS sneller gesteld kan worden. Maar misschien nog wel belangrijker is dat sinds het gebruik van de Rome III criteria patiënten worden onderverdeeld in de klassieke subtypes zoals we ze ook vandaag kennen: diarree, constipatie en gemengd.

Minstens drie dagen per maand in de laatste drie maanden buikpijn of een ongemakkelijk gevoel in de buik in combinatie met:

  • Twee of meer van de volgende
    • Verbetering van de pijn na het maken van stoelgang
    • Veranderingen in de frequentie van stoelgang (vaker of net minder vaak)
    • Veranderingen in de consistentie van de stoelgang
  • Klachten zijn minstens 6 maanden geleden begonnen

Rome IV criteria

In 2016 werden de Rome IV criteria gepubliceerd, dit zijn de criteria die we momenteel gebruiken om te evalueren of een patiënt PDS heeft. Er zijn twee belangrijke veranderingen in deze versie van de Rome criteria. Enerzijds wordt de noodzakelijke frequentie van klachten aangepast van minstens drie dagen per maand naar minstens één dag per week. Anderzijds wordt een ongemakkelijk gevoel in de buik weg gelaten en moet een patiënt echt pijn ervaren. Doordat deze regels strenger zijn voldoen minder PDS patiënten aan de Rome criteria.

Minstens één dag per week in de laatste drie maanden buikpijn in combinatie met:

  • Twee of meer van de volgende
    • Relatie met het maken van stoelgang (toename of afname van de pijn)
    • Veranderingen in de frequentie van stoelgang (vaker of net minder vaak)
    • Veranderingen in de consistentie van de stoelgang
  • Klachten zijn minstens 6 maanden geleden begonnen

Wat nu?

Aangezien er momenteel nog geen test bestaat om de diagnose van PDS te stellen hebben we nog steeds diagnostische criteria nodig. Deze criteria hebben echter ook hun beperkingen. Wat bijvoorbeeld met iemand die nog maar 5 maanden klachten heeft? Volgens de criteria kunnen we hier niet de diagnose van PDS stellen, maar in de praktijk gaan we deze patiënten wel zo behandelen. Het heel strikt volgen van de criteria is dus vooral belangrijk in wetenschappelijk onderzoek. De enige voorwaarde die altijd blijft om de diagnose van PDS te kunnen stellen is dat iemand buikpijn moet hebben en problemen met de stoelgang.

Bron

Rome foundation

Lacy B., Patel N. Rome Criteria and a Diagnostic Approach to Irritable Bowel Syndrome. Journal of Clinical Medicine. 6 (2017)

Thompson W., Longstreth G., Drossman D., Heaton K., Irvine E., Müller-Lissner S. Functional bowel disorders and functional abdominal pain. Gut. 45 (1999) 

Boyce, P. et al. Irritable bowel syndrome according to varying diagnostic criteria: are the new Rome II criteria unnecessarily restrictive for research and practice? American Journal of Gastroenterology 95 (2000)

Drossman D. The Functional Gastrointestinal Disorders and the Rome III Process. Gastroenterology. 130-5 (2006)

Tibble J., Sigthorsson G., Foster R., Forgacs I., Bjarnason I. Use of surrogate markers of inflammation and Rome criteria to distinguish organic from nonorganic intestinal disease. Gastroenterology. 123-2 (2002)

 

Bedankt

Graag op de hoogte blijven van nieuwe artikels of vorderingen rond het thema IBS (prikkelbare darmsyndroom). Schrijf je dan hier in op de nieuwsbrief

Logo IBS Belgium zonder achtergrond